De tafel van de Heilige Geest

Posted on

DE TAFEL VAN DE HEILIGE GEEST

De Tafel van de Heilige Geest, is een instelling die hulpbetoon gaf aan de armen, voorloper van de latere Commissie van Openbare Onderstand of het huidige O.C.M.W.

Vroeger konden vele armen een beroep doen op hulp van buren, familie of beroepsgenoten. Sommigen konden door speciale stichtingen geholpen worden en alleen de allerarmsten konden zich – als een allerlaatste redmiddel – wenden tot de Tafel van de Heilige Geest, of het Armenbestuur. Dit Armenbestuur droeg zorg voor het onderhoud van miserabele, gebreckelijcke, arme, cranke mensen, ende dersevelver onnoosele cleijne kinderkens woonachtig in de stad en er buiten. Het Armenbestuur zorgde voor de stille armen, maar niet voor vreemdelingen en bedelaars. Het stelsel van armenzorg was erop gericht om de lokale situatie te beheersen. Vreemde armen werden zo veel mogelijk geweerd. Bedelarij werd, in tegenstelling tot landloperij, in bepaalde mate en onder strenge regels, toegestaan. Al in de eerste eeuwen van het christendom was het gebruikelijk om tijdens de Eucharistieviering op een tafel giften voor de armen neer te leggen. De zorg voor armen werd als een individuele deugd gezien. In de elfde en twaalfde eeuw herleefde in de opkomende steden het gebruik van deze armentafel. Zij werd Tafel van de Heilige Geest genoemd, omdat met Pinksteren de Heilige Geest werd aangeroepen als Vader van de Armen en Gever van alle Goeds. In grotere steden verdwenen de armentafels uit de kerken en werden ze ondergebracht in een speciaal gebouw, het Heilige Geesthuis. De Tafel van de Heilige Geest was overal als een kerkelijke instelling begonnen, maar kwam in de Late Middeleeuwen langzamerhand onder het toezicht van het stadsbestuur. In de zeventiende eeuw kwam het bestuur in de handen van stadhouders of daartoe aangewezen schepenen. Men noemde de bestuurders armenmeesters, armendienaren of aalmoezeniers.

De armenmeester hield de boekhouding bij en maakte de jaarrekeningen van het Armenbestuur op. Het Armenbestuur genoot decennia lang inkomsten uit onroerende goederen en rentebrieven. Een belangrijk bezit waren de pachthoeven. De pachters moesten de helft van de opbrengsten van deze hoeves afstaan aan het armenbestuur.  Meestal, zoals bij verkoop van vee, boter en wol, werd de helft van de opbrengst in geld betaald aan het Armenbestuur. Het bestuur genoot verder inkomsten uit cijnzen en zogenoemde korenpachten op diverse percelen grond in de stad en op het land. Een minder vaste inkomstenbron vormden de opbrengsten uit de armenbussen, de zogenaamde Godspenningen. De kleine en grote armenbussen stonden in het stadhuis. De armenpenningen, betaald bij de verkoop van onroerende goederen, werden in de grote armenbus gedaan. Het Armenbestuur mocht alleen met instemming van alle bestuursleden graan, linnengoed, vruchten of geld uitdelen aan de armen. De inkomsten en uitgaven van de pachthoeven dienden opgelijst en de verschillende uitgaven aan renten, controleerbaar te zijn.

Het Armenbestuur van Leuven had verschillende parochies: Heilige Michaël, Heilige Petrus, Heilige Gertrude en Heilige Jacobus. Ze bezat immense grondeigendommen en huizen over heel Leuven en daarbuiten. De bouwgronden en de hoeves lagen in de omliggende dorpen zoals Bertem, Bierbeek, Korbeek-Lo, Glabbeek, Herent, Heverlee, Holsbeek, Lovenjoel, Lubbeek, Meldert, Tildonk, Veltem, Vertrijk, Wilsele, Winksele en Wijgmaal. De hoeves waren gelegen in Wijgmaal, Lubbeek, Holsbeek, Vertrijk, Tildonk en Korbeek-Lo. Het armenbestuur van Leuven bezat ook verschillende weilanden en bossen. De belangrijkste lagen in Lovenjoel en Lubbeek. In de 19de eeuw bezat de Grote Tafel van de H. Geest van Leuven in totaal 51ha 18a 40ca.

Terug naar overzicht.