Het Heilig Geesthof eigendom van het bureau van Weldadigheid

Posted on

De Franse periode 1794-1815

Van Tafel van de Heilige Geest naar het Bureau van Weldadigheid

Op 26 juni 1794 worden de Oostenrijkers  door de Fransen verslagen bij Fleurus. Dit luidt voor de Zuidelijke Nederlanden het einde van de Oostenrijkse periode in en het begin van de Franse overheersing. Die zal duren tot aan de slag van Waterloo in 1815.

Met de inlijving van de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk kreeg de “openbare onderstand” – de overheidszorg voor armen – een nieuw gezicht. Het belang van de kerk in de “officiële” armenzorg nam af. Zo werden door een wet van 1796, “les Bureaux de Bienfaisance” (burelen van weldadigheid) opgericht ter vervanging van de Tafels van de Heilige Geest.

De gemeenten werden verplicht om een Bureel van Weldadigheid op te richten. Deze burelen zouden voortaan zorgen voor hulp aan huis, voor kleding, levensmiddelen, verwarming, geneesmiddelen, beddengoed en soms ook voor geld. Het grootste gedeelte van de hulp moest echter in natura zijn.

De Belgische Staat richtte al in 1895 een Koninklijke Commissie op voor de hervorming van de armenzorg. Maar het was pas dertig jaar later, op 10 maart 1925, dat de wet op de Commissies van Openbare Onderstand (C.O.O.) werd gestemd. Via die wet werd de lokale armenzorg gemoderniseerd met de verplichte installatie van één dienst voor armenzorg per gemeente. Op 08/07/1976 werd het O.C.M.W als vervanger voor de C.O.O ingesteld.

Een plan van het Heilig Geesthof dat in 1813 werd opgemaakt door het Armenbestuur toont hoe de vier gebouwen op het domein gerangschikt waren.

In 1825 werden er enkele werken aan het pachthof uitgevoerd. Het ‘Bestek der Werken te verrichten in het Pachthof van Holsbeek bewoond door de heer Huygens’ vermeldt een woning met een keuken en slaapkamer, een bakhuis, een poort, schuren en stallingen waaronder een paardenstal, koeienstal en verkens koten. Het bestek toont de volgende herstellingswerken: de slaapkamer krijgt vijf nieuwe steen glasen, de keuken één steen glas en de slaapkamer twee nieuwe slag vensters (vensterluiken). De grote poort kreeg nieuwe greffelen en ijzerwerk en het bakhuis een nieuwe deur. Verder werden de poort, de nieuwe deuren, de achterdeur, de vier staldeuren, de negen ramen, de vijf poort slag vensters, de drie deuren en de drie zolderdeuren met olieverf beschilderd.

Echter heeft het bestek van 1827 niet geleid tot enige herstellingswerken aan de hoeve.

In mei 1828 meldde de toenmalige pachter P. Huygens aan het armenbestuur van Leuven:

dat het dak boven zijnen paarden stal zich in den alder slegsten staat bevind, en geene reparatie meer kan onderstaan. Het berd rot zijnde, dat hij nogthans zijn hooy op den zolder moet stapelen, dat de andere daken boven het huis en koy stallen de dringenste reparaties noodig hebben, op verscheidene plaatsen sterk doorregende, dat de groote poort van hetzelve hoef zoo slecht is dat die niet meer gesloten kan worden en zijn vensters van zijn keuke en de kamer zoo slecht zijn dat het gelas daar niet meer in houd, redens dat hij zijnen toevlugt tot u: Edele Heren neemt, om alle deze vervallen deelen van zijn hoef zoo haest mogelijk of voor den hooghst te doen herstellen”

Deze oproep tot herstellingswerken werd in augustus beantwoord.

In 1832 wordt al een nieuw bestek opgemaakt ‘Bestek om de nodige werken te verrichten aan het pachthof’:

Belangrijke vaststellingen uit dit bestek:

  • Het dak van de schuur, toen paardenstal, was al met pannen gedekt. Inderdaad, deze zijn er in 1828 gelegd.
  • De woning bevat nog een schaliedak.
  • Op de koeienstal werd eenmaal 14m pannendak en eenmaal 14m tichelendak vernieuwd, maar het is niet heel duidelijk welk gebouw dit betrof. 28m is wel de lengte van het woonhuis. Misschien ging het om de tuinzijde van dit volume met koestal. De lengte van de huidige schuur is 15m20. Met aftrek van de opgaande wanden is de maat iets meer dan 14m. In 1832 was het volume nog tweemaal zo lang, dus twee daken van 14m. Maar de breedte is zeker meer dan 4m en de historische plannen melden ‘ecurie’ bij dit gebouw, paardenstallen dus.
  • De schouw van de bijkeuken lijkt niet te zijn opgemetst in 1828.
  • Het ‘portrel’ van de kelder is vermoedelijk de kap boven de keldertrap, waar een stuk eikenhout diende vervangen.
  • In de woonkamer dienden zes glazen en zes onderste glazen vervangen te worden. De woonkamer had dus zeker drie kruisvensters (waarvan er later twee werden dichtgemetseld).

In augustus 1840 kwam er een nieuwe pachter : Petrus Tuyls. Hij was getrouwd met Catherina Vanhoven, de weduwe van de vorige pachter P. Huygens. Tuyls vraagt om herstellingwerken aan de varkenskoten en het heropbouwen van een schuur:

“De schuur en de verkens koten van het pachthof te Holsbeek bevinden zich in zeer slegten staet. De schuur is bouwvallig en het is hoog dringden eene nieuwe te bouwen, ende verkens koten te repareren. Het heropbouwen der schuur in steen is in januari 1837 door Tossens geschat op 3900 en een leeme schuur zou maer kosten a 700 franck”.

In 1841 werd er een bestek opgemaakt “der noodige bekostiging te doen voor het maeken der verkens koten en de reparatie aen den koy stal als ook de reparatie aen het schalie dak van het huys op het Paecht hof te Holsbeek en bewoont door d’heer Tuyls”.
Het bestek is in het OCMW archief niet bewaard, maar wel het plan met het ontwerp voor vijf varkenskoten.

Reeds in 1848 werd er een nieuwe oproep gedaan voor herstellingswerken aan het pachthof. De poort leek nog niet hersteld en de schuur stond er nog steeds bouwvallig bij. Er werd gesuggereerd om de poort te vernieuwen en ‘de schuur af te breken en ze op de zelve plaets voor Sint Andries of 30 november 1849 in leemen wand gedekt met roode pannen tenminsten ter grootte van de oude op te bouwen’.

In 1854 was de poort gemaakt en de schuur hersteld met een lemen muur. Toch schrijft Tuyls een brief aan de administratie der hospicen van Leuven met de volgende vragen: een nieuwen buyten deur aen de huyzing, nieuwen vensters aen het huys in kamer, eenen nieuwen zolder boven de kamer te leggen nieuw planken, eenen muur aen de schuur in plaets van leem waer nu verscheyden mael is ingebroken met dezen tijden.

In 1856 werd er een bestek opgemaakt door de heer Van Doren, de ‘Conducteur der werken der Burgerlijke Godshuizen en Armen der stad Leuven’ voor de vernieuwing der kribbe in de stalle (de schuur nu). Er wordt beslist dat deze kribbe geheel vernieuwd moet worden met roode plony in plaets van witte steen en Doorniksche kalk. Verder wordt ook de planché van de zolder vervangen en worden er elf nieuwe slagvensters (vensterluiken van de zuid- en oostgevels) geplaatst en wit geschilderd. Een jaar later werd de kleine schuur opgetrokken in nieuwe baksteen en materialen die van de oude schuur konden worden hergebruikt. Waar deze kleine schuur werd opgetrokken is minder duidelijk. Vermoedelijk gaat het om een ombouw van of de aanbouw tegen de noordelijke stalling. De koeien verhuisden dan ook naar de paardenstal.

Ondertussen was Tuyls’ vrouw, Catherina Vanhoven, in 1859 gestorven. Hij hertrouwde met Elisabeth Kennis. Op 27 augustus 1868 stierf hij zelf kinderloos.

De hoeve wordt nagelaten aan Petrus Vanhoven, die familie was van Tuyls’ eerste vrouw.

In 1871 wordt er een nieuw pannen dak geplaatst op de schuur en op de koeienstal.

Petrus Vanhoven had blijkbaar nog andere gronden in Holsbeek want het Armenbestuur beschuldigt hem ervan in 1874 met mestopbrengsten van het pachthof zijn eigen gronden te bemesten. Verder zou Vanhoven opbrengsten van 1873 hebben verkocht in plaats van af te staan aan het Armenbestuur.

Briefwisseling

Leuven, den 11 mei 1874

Index Nr 19.984;
Pachthof te Holsbeek

Het bureel van Weldadigheid,

Mijnheer,

Wij hebben de eer u: te berichten dat wij den Heer Vanhoven, pachter in uwe gemeente; Komen verbod te stellen, van in het vervolg, de landen zijnde zijnen eigendom, nog te bemesten met het mest voortsKomende van het pachthof toebehorende aen ons Arme-Bestuer en bij den zelven in gebruik.
Wij verzoeken ul: zulks te bewaken en ons Kennis te geven van elke overtreding aen de welke gemelden pachter zich zou plichtig maken.

De Secretaris
De Voorzitter

Aan d’Heer Liebrechts
Veldwachter te Holsbeek.


Leuven, den 11 mei 1874

Index Nr 19.984;
Pachthof te Holsbeek

Het bureel van Weldadigheid,

Mijnheer,

Als gevolg aan onzen brief van 28 April ll. Komen te vernemen dat gij, niet alleenlijk de vruchten van 1873 op stok verkocht hebt op de landen al toebehorende, maer insgelijks den oogst van het zelve jaer op een gedeelte de landen afhangende van het pachthof, en dat, niettegenstaende gij uwe eigene landen gemest hebt met het mest voorts komende van het pachthof, alhoewel zulks tegenstrijdig is aen de conditiën van uw huer-Kontract.
Omdit geval voor het toekomende te voorkomen stellen wij ul streng verbod van de landen, zijnde uwen eigendom, nog te mesten met mest van het pachthof.

De Secretaris
De Voorzitter

Mr. Vanhoven
Pachter te Holsbeek

Terug naar overzicht.